Op veler verzoek de tekst van dominee, dichter, schrijver Hans Bouma. Uitgesproken op de protestbijeenkomst van 29 december 2016.

DE WERELD VAN MARCUS

Hans Bouma

Ik kijk in de ogen van een damhert, ik kijk in de ogen van Marcus, ik adem met hem mee en hoezeer kan ik dan instemmen met de woorden van de dichter Maurits Mok:

In dierenogen valt hetzelfde licht
als in het oog van mensen.

Het levende schept adem uit één bron,
vangt vanaf de eerste kreet
tot aan de laatste huivering dezelfde zon.

Denkenden gaan met dieren
onder dezelfde hemel
dezelfde einder tegemoet,
door één verlangen voortgedreven:
leven.

In dierenogen valt hetzelfde licht -. Marcus en ik, verbondenheid voel ik, diepe verwantschap. Marcus en ik, of ook ruimer: dieren en ik – aardgenoten, ademgenoten, lichtgenoten. Ook zielgenoten. In het Latijnse woord voor dier zit anima: adem, geest, ziel. Ook dieren kunnen zielsgelukkig zijn. Zoals je ze ook op hun ziel kunt trappen.

Verbondenheid, verwantschap. De joodse filosoof Martin Buber schrijft: ‘De ogen van een dier hebben een grote sprekende kracht.’ Eenmaal gevoelig voor de taal van dierenogen, wordt je wereld rijker en rijker. Hoeveel zie je, hoor je, deel je. Het is hartverwarmend. Of hartverscheurend. Je zult maar kijken in de ogen van een proefdier, in de ogen van een dier in de bio-industrie, in de ogen van een dier dat jagers ruikt, schoten hoort. Ik heb in die ogen gekeken, ik heb die taal verstaan en ik huiverde. Die ‘grote sprekende kracht’ was een grote sprekende klacht, een aanklacht. Waarom doen jullie ons dit aan, wat bezielt jullie, wat voor mensen zijn jullie?

Marcus. Moet je hem daar nu zien. ‘Door één verlangen voortgedreven: leven.’ Je moet er wel een heel goede reden hebben om hem het leven te ontnemen, om hem de dood in te jagen. Onder de redenen die worden aangevoerd om damherten in het Deelerwoud af te schieten, heb ik die heel goede reden niet gevonden.

Arme Marcus, arme dieren. Alsof ze geen rechten hebben, respectabele rechten. Ja, rechten. Op hún wijze geven dieren expressie aan het mysterie dat wij mensen weer op ónze wijze belichamen: het grote, bovenmenselijke mysterie dat leven heet. Het recht van dieren, het recht op een volwaardig leven, het recht op een eigen biografie, is gegeven met hun eigen existentie. Of ook: het is vastgelegd bij de hoogst denkbare autoriteit: de autoriteit van het leven waaraan zij zo grandioos gestalte geven.

Dierenrechten zijn levensrechten, zoals ook mensenrechten levensrechten zijn. Over die mensenrechten zijn we het in principe wel eens, er is zelfs de ‘Universele verklaring van de rechten van de mens’. Maar als het dierenrechten betreft, moet er nog heel wat gebeuren. Hoezeer ze ook deelnemen aan het leven, niets dan leven zijn, juridisch, ethisch hebben ze geen enkele status. Ook als er gesproken wordt over hun intrinsieke waarde, worden hun belangen telkens weer opgeofferd aan de belangen van de dominerende mens. Zo levend als ze zijn, staan ze rechteloos in het leven. En dan hebben we te maken met levende wezens die zich al zoveel eerder in de evolutie presenteerden dan de laatkomer mens. In het grote geheel komen we nog maar net kijken. Bescheidenheid is geboden. Al die dieren die aan onze entree voorafgingen, hebben de oudste rechten. Al die dieren. Bijvoorbeeld damherten, bijvoorbeeld Marcus.

Je hebt zo je dromen, en niet alleen met Kerst. Dromen over recht en vrede. Recht en vrede voor mensen, recht en vrede voor dieren. Vol verwachting kijk je uit naar een glanzende toekomst, creatief span je de boog van je verbeelding, geef je vorm aan het concept van je hart – en het komt er maar niet van. De werkelijkheid is anders. En ze blijft ook anders.

Vanaf 1970 droom ik over het einde van de bio-industrie, het einde van dierproeven, het einde van de jacht. Ik heb het niet mogen beleven. De feiten, de keiharde feiten van onrecht en geweld kun je als zó dwingend, zó verpletterend ervaren dat je je erbij neerlegt. Maar als íets strijdig is met waarachtige humaniteit, dan berusting in het kwaad, vrede hebben met wat geen vrede kent. Op deze manier verloochen je jezelf in een wel heel oorspronkelijke gestalte: de gestalte van de hoop. Het hóórt zo bij je: dat je even nuchter als gepassioneerd reikt naar die andere, die betere wereld. Dat je telkens weer opstaat tegen de ondergang. De hoop verliezen is jezelf verliezen. Berusting verminkt je identiteit.

Dromen, het lijkt een vorm van bedrog. Alsof dromen de wereld zouden veranderen. Maar dromen veranderen de wereld. Dromen kunnen uiterst explosief zijn voor de bestaande orde. Alle grote sociale revoluties ontsprongen aan een droom. Je moet er niet aan denken dat er niet meer wordt gedroomd. Armer kan een cultuur, kan een mens niet zijn.

Ach ja, de werkelijkheid. Maar beslissender dan de werkelijkheid van de feiten is de werkelijkheid van onze droom. Concreet: een Deelerwoud waar niet meer gejaagd wordt. Een Deelerwoud waar damherten het leven kunnen leven waar ze recht op hebben. In naam van de droom gaan we verder op de ingeslagen weg. Er is veel werk te doen. Er is een wereld te winnen. De wereld van de damherten. De wereld van Marcus. Ik zie hem vóór me: ‘door één verlangen voortgedreven: leven’.

Actie tegen jacht in het Deelerwoud, 29 december 2016, Actiecomité ‘Deelerwoud KillingFields’.

Foto. Hans Krenger.